Bouwhistorisch onderzoek in de gevangenis

Bouwhistorisch onderzoek gevangenis Leiden

Bouwhistorisch onderzoek in de gevangenis

De komst van het Pensylvanische gevangenissysteem in Nederland in de 19e eeuw

Misdaad is even oud als de mensheid zelf. De wijze van straffen veranderde echter door de eeuwen heen als gevolg van veranderende opvattingen. Al voor de Romeinse tijd was het gevangennemen van personen slechts bedoeld om beschuldigden te ‘bewaren’ totdat het vonnis door een rechter was geveld en de eventuele straf voltrokken werd. Criminaliteit werd vooral bestraft in de vorm van dwangarbeid (zoals op galeien), verbanning en lijf- en doodstraffen. Deze bleven tot in de late middeleeuwen de meest toegepaste straffen, evenals de verbeurdverklaring van goederen of het verlies van burgerrechten. Er was geen sprake van speciaal gebouwde gevangenissen. Het tijdelijke ‘bewaren’ van mensen vond plaats op plekken die varieerden van donkere, ondergrondse ruimten die enkel met een luik bereikbaar waren, tot cellen in stadstorens en stadspoorten. Het opsluiten van mensen voor een langere periode ontstond in Europa in de 16e eeuw, waarbij Engeland met de ‘Bridewells’ voorop liep.

De Bridewells werden vernoemd naar Bridewell Palace te Londen, dat door Koning Edward VI in 1553 aan de stad was afgestaan. Het werd daarna verbouwd tot ‘Workhouse’. De opening vond in 1557 plaats. ‘Lieden, wier levensgewoonten door krachtige arbeidsgewenning verbeterd moesten worden’ werden in de Bridewells opgenomen, zoals zwervers, bedelaars of prostituees. Al snel vonden ook kleine criminelen, zoals zakkenrollers en dieven, hun weg naar deze werkhuizen.

Ook in de rest van Europa vonden de mensen aan de onderkant van de maatschappij hun plek in een van de werk- of tuchthuizen. In Nederland werd in 1595 het Clarissenklooster aan de Heilige weg te Amsterdam geschikt gemaakt als tuchthuis. Door de daar verrichte arbeid kreeg het in de volksmond al snel de naam ‘Het Rasphuis’. Huizen als deze waren zeer lucratief voor de steden en al snel werden in heel Europa vele werk- en tuchthuizen gesticht. Hiervoor werden eveneens reeds beschikbare gebouwen heringericht en dus was er van speciale bouw nog geen sprake.
Nieuwbouw van de tuchthuizen vond pas halverwege de 17e eeuw plaats in verschillende Europese landen, zoals in Duitsland en Italië. In de Lage Landen werd in 1773 in Gent de ‘Maison de Force’ gebouwd, eveneens een tuchthuis dat al veel meer weg had van een gevangenis zoals wij deze tegenwoordig kennen. Het had een achthoekige oppervlakte; ieder achtste deel bestond uit twee vleugels met een centrale binnenplaats waar onder streng toezicht de arbeid verricht werd. ’s Avonds werden de arbeiders ondergebracht in de eenpersoonscellen (de cellulaire gevangenis)5 In opdracht van Koning Willem I werd de Gentse gevangenis verder afgebouwd en daarna huisden er uiteindelijk meer dan duizend gedetineerden.

‘Maison de Force’ te Gent

De Bridewells en de tuchthuizen worden in de geschiedschrijving vooral gezien als onderdeel van de armenzorg. De straffen voor criminelen bleven tot in de 19e eeuw hoofdzakelijk bestaan uit verbanning, lijf- en doodstraffen. Ballingschap betekende echter dat buurlanden met elkaars misdadigers werden opgescheept.

In 1744 besloot Frederik de Grote, Koning van Pruisen, als een van de eersten de ballingschap te vervangen door gevangenisstraffen.
Tegen de achtergrond van de Verlichting werd steeds kritischer gedacht over de werk- en tuchthuizen. De bekende Engelse
socialist John Howard schreef naar aanleiding van zijn onderzoek in 1777 ‘The State of the Prisons in England and Wales’ waarin hij de slechte omstandigheden in de gevangenissen aan de kaak stelde. Behalve dat zij veelal werden afgeperst door gevangenisbewaarders, zaten te veel mensen op elkaar met ‘verpestende, vochtige, koortswekkende lucht’, een gebrek aan licht, privaten of ruimte voor beweging, met ‘ongezonde bezigheden en afschuwelijke gewoonten’ tot gevolg. Er werd weinig onderscheid gemaakt tussen gevangenen inzake geslacht, leeftijd, veroordeling, et cetera.

De eerste roep om hervorming van het strafstelsel en de wijze van opsluiten van gedetineerden kreeg in Europa pas na 1800 gehoor. De basis voor het nieuwe gevangenissysteem werd gelegd aan de andere kant van de oceaan in de Verenigde Staten. De uit Engeland afkomstige quakers stonden in Pennsylvania onder de leiding van William Penn. Deze christelijke geloofsgemeenschap had een afkeer van geweld, wreedheid en bloedvergieten. Zij voerde in 1682 een nieuwe ‘criminal code’ in waarin boete en gevangenisstraf als voornaamste sancties op crimineel gedrag werden beschouwd.
De misdaad werd gezien als zonde, de straf als boete en de boete als verbetering van de persoon.

Na de Amerikaanse onafhankelijksheidsoorlog ratificeerde Pennsylvania op 17 december 1787 de nieuwe Amerikaanse Grondwet. Een van de grondleggers van de Amerkaanse onafhankelijkheidsverklaring van 1776 was de wetenschapper en diplomaat Benjamin Franklin die lid was van de ‘Philadelphia Society for Alleviating the Miseries of Public Prisons’, de latere ‘Pennsylvania Prison Society’. Als proef voor een nieuw gevangenisstelsel bouwde zij in 1791 ‘The Walnut Street Jail’ met dertig isoleercellen die een ‘inrichting van boetedoening’ werd genoemd, in het Engels ‘penitentiary’. Een volledige toewijding aan berouw zou worden bewerkstelligd door middel van volledige isolatie. Zelfs arbeid kon tot dwalingen leiden, was de gedachte. De misdadiger was ‘gered’ als deze berouw toonde over de gedane misstappen, wat niet inhield dat hij of zij daarmee gelijk in vrijheid gesteld werd.

De Eastern State Penitentiary in Cherry-Hill (Philadelphia), thans een museum

De proef met het nieuwe stelsel bleek niet het gewenste effect te hebben, en werd na twaalf jaar opgeheven. Dit weerhield men er in De Verenigde Staten (en later Europa) niet van dit systeem op ‘verbeterde’ manier voort te zetten. Met de eenzame opsluitingen werden vooral geharde misdadigers gestraft en zo werd voorkomen dat beginnende criminelen door hen werden beïnvloed. De eerste twee cellulaire gevangenissen volgens dit Pennsylvanische stelsel kwamen in Pittsburg in 1827 en de Eastern State Penitentiary in Cherry-Hill (Philadelphia) in 1829 tot stand; de gevangenen kregen hierin iets meer vrijheid dan in het oorspronkelijke stelsel van de quakers. Onderling contact bleef verboden; het was de gevangen echter wel gegund om enige arbeid te verrichten en beweging te krijgen. Het voorkomen van contact tussen gedetineerden bleef de basis van het stelsel en werd niet alleen toegepast in een afzondering van dag en nacht, maar ook eten, luchten, het volgen van onderwijs of godsdienstbeoefening werd volledig alleen uitgevoerd.

Een tweede gevangenissysteem ontstond in New York met de bouw van de Auburn-gevangenis (het Auburnse systeem). Ook hier was een communicatieverbod tussen gedetineerden van kracht. Het verschil met het voorgaande systeem was echter dat er nog iets meer vrijheid was toegestaan. Overdag mochten de gevangen hun cel uit om in groepen te werken, te eten, onderwijs te volgen of godsdienst te belijden. Er waren meer cipiers aanwezig om erop toe te zien dat er tijdens deze activiteiten geen communicatie plaatsvond.

In Europa bestond eveneens belangstelling voor het Pennsylvanische stelsel en er werden verschillende studiereizen naar de
Verenigde Staten ondernomen.

Ook in Nederland ontstond interesse in beide systemen. De reeds bestaande tuchthuizen voldeden niet langer aan de wensen, zo blijkt uit het antwoord van de Commissie van Administratie over de gevangenissen te Leeuwarden aan de toenmalige minister van Justitie, de heer F.A. van Hall (1843): “Uitgaande van het beginsel om veel zo niet alles aan de opbrengst van den arbeid ondergeschikt te make, hebben onze Vaderlandsche gestichten langzamerhand een aanzien van groote en wel geordende fabrieken gekregen, waarin het gevoel van straf te veel verloren gaat en de gevangenen soms een materieële welvaart genieten, welke aan vele arbeidzame en eerlijke huisvaders in de Maatschappij niet ten deel mag vallen.”

In 1843 vertrokken op verzoek van de minister van Justitie de heer F.A. van Hall, de zelfstandige architect I. Warnsinck en de ingenieur van “den Waterstaat’ J.G. van Gendt naar Engeland om daar verschillende inrichtingen te bezoeken, waaronder de net gebouwde Pentonville gevangenis in Noord-Londen.

Deze gevangenis was in 1842 tot stand gekomen volgens het nieuwe Pennsylvanische stelsel. Warnsinck en Van Gendt waren diep onder de indruk en kwamen onder andere tot de conclusie dat het systeem “tot heilzame gevolgen leidde” en “gevangenen spoedig ene gunstige verandering van gedrag en gemoedsgesteldheid doen bespeuren, en dat zij na zes maanden verblijf in de gevangenis geheel, zelfs uitwendig, hervormd zijn”. De kritiek op de afzonderlijke opsluiting die het systeem kende werd door hen niet gedeeld.

Het rapport van Warnsinck en Van Gendt kreeg veel lof. Op 17 september 1845 werden Warnsinck en Van Gendt bij koninklijk besluit aangesteld als directie van de uitvoering van de Amsterdamse gevangenis. Warnsinck werd ook door Willem II gevraagd een ontwerp te maken voor een strafcellengebouw bij het “Huis van Militaire detentie te Leyden”.

Het Ontwerp van ir. I Warnsinck voor een nieuwe gevangenis in Leiden.

Een eerder plan van 26 augustus 1840 ten behoeve van de bouw van tien cellen was als gevolg van de hoge kostenraming niet tot stand gekomen. Met Pentonville in het achterhoofd ontwierp Warnsinck een eveneens uitgebreid cellencomplex met een individueel ventilatiesysteem waarmee de cellen ‘s winters ook verwarmd konden worden. Ook dit ontwerp kwam niet verder dan een papieren versie door de hoge kosten die het met zich zou meebrengen. Het leidde uiteindelijk tot een uitgekleed ontwerp dat in februari 1847 door de ingenieur van de Waterstaat J.R. Ortt en zijn meerdere, hoofd-ingenieur M.G. Beijerinck, getekend was. Het cellencomplex te Leiden bleef daarmee nog wel de eerste gebouwde gevangenis in Nederland volgens het Pensylvanische systeem.

Share this post