Home

Bureau

Diensten

Projecten

Downloads

Offerte

cultuurhistorisch onderzoek Leiden | 5e Binnenvestgracht

object:

bouwjaar:

opdrachtgever:

architect:

werkzaamheden:

datum:

 

omschrijving:

Gracht

1355

eigen beheer

 

cultuurhistorisch onderzoek

2011

 

 

Een klein grachtje in Leiden, voor de meeste Leidenaren een onbekende plek. Maar wie er op een zondagse wandeling toevallig overheen loopt geniet van de rust. Een grachtje waar een verdwaalde toerist op zoek is naar de ingang van de aan overkant liggende Hortus Botanicus. Een grachtje waar men zodra de zon schijnt buiten leeft, en elkaar vriendelijk groet.

Een grachtje dat ieder seizoen een andere mooie uitstraling geeft. Kortom…… een grachtje waar je als bewoner trots op mag zijn.

 

Maar dit scheen vroeger anders te zijn. Sterker nog, er was een mogelijkheid, dat dit grachtje nu niet meer zou bestaan. Meerdere vragen over de gracht hielden ons bezig. Hoe oud is de gracht, en heeft het altijd de Vijfde Binnenvestgracht geheten?

De weg ging al gauw richting het gemeente archief, opzoek naar antwoorden.

 

Hoewel de geschiedenis van de gracht veel omvattend is en er nog steeds allerlei verhalen, prenten, foto’s en boeken opduiken hebben we getracht de grote lijnen op papier te zetten. De gegevens komen uit diverse boeken over Leiden, het Gemeente Archief en de Universiteits-bibliotheek.

 

De Uitbreiding:

 

Leiden was in de vroegere eeuwen een stad die zijn rijkdom vond in de Lakenindustrie. Om deze handel voort te kunnen zetten en een blijvende concurrentie  te bieden met andere steden in Europa, diende deze industrie (en dus ook de stad) zich uit te breiden.

Na de uitbreiding aan de Mare in 1355, werd de stad wederom te klein, om voldoende mensen te kunnen huisvesten. Voor de derde maal moest Leiden uitgebreid worden. Ditmaal in het zuiden en westen.

Hertog Aelbrechts (met volledige titel: bi der gods ghenaden palnsgrave opten Rijn, hertoge in beyeren, ruwaert van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, ende van Vrieslant) gaf nauw gezet op papier aan hoe deze uitbreiding tot stand diende te komen en waar.  Uiteraard hadden de hoge heren van Leiden weinig bezwaar. Ook de ambachtsheer van “Soeterwoude”, de heer Bertolomeus van Raephorst, aan wie het behoorde, stemde toe.

 

De uitbreiding werd opgedeeld in twee gebieden. De zuidkant (tot aan de Vliet) en de westkant, van de Vliet tot aan het Noordeinde. De zuidkant diende vooral ter uitbreiding van de industrie en werd het “Nieuwe land”genoemd. Het westelijk gedeelte waar wij toe behoorde werd het “Rapenburg” genoemd en diende voor het oplossen van de woningnood. Tevens werden er hier ook de nodige kloosters en kazerne gehuisvest.

 

Het hele gebied moest ommuurd worden ter bescherming van buitenaf. Hierdoor kregen de oude stadsmuren aan het Rapenburg geen funktie meer en werden dan ook afgebroken. De plaats van de nieuw te maken stadsmuren werd eveneens door Hertog Aelbrechts benoemd.

 

Een belangrijke toegang naar de stad, over het water, was de Vliet. Vlak hiervoor was de zogenaamd de “Naakte Sluis”. De afstand van deze sluis naar de stadsmuren bedroeg een ca 62 roeden. Deze afstand werd dan ook gebruikt om de plaats van de de nieuwe stadsgracht (de Witte Singel) en zijn muren te bepalen.

Er diende alleen nog een invulling te worden gegeven aan het stuk grond wat bij de stad betrokken was.

Allereerst de grachten: Voor het gebied “Rapenburg” had men drie stuks nodig. Een  werd aangelegd in het verlengde van de Langebrug;  De Groenhazengracht. De twee anderen parallel aan de Vliet, de Cellebroedersgracht (nu de Kaiserstraat) en de Achtergracht (nu de Doelengracht en de 5e Binnenvestgracht). Tevens werd ter verdediging net aan de binnenzijde van de muren een gracht gebouwd. De zogenaamde Binnenvestgrachten.

 

Als tweede werden de stegen bepaald; In het verlengde van Kloksteeg kwamen de Jacobinessensteeg en de Witte nonnensteeg. Deze liepen geheel door tot aan de vestgracht. De Claes Tierloetsteeg (Kolfmakersteeg) kwam te lopen van de hoek Keizerstraat en Rapenburg, helemaal tot aan de vestgracht. De Zegersteeg en als laatste de Blauwesteeg aan het einde van de Achtergracht richting Cellebroedersgracht.  De aanleg was rond 1391 gereed en al snel hierop werden de ruimten tussen de grachten opgevuld met huizen, kloosters en een kazerne.

 

 

De bewoners:

 

Zowel op administratief- als op sociaal vlak was het vroeger (uiteraard) anders. Leiden was opgedeeld in kleine gebieden genaamd  “Bonnen”. Een Bon diende voor het administratieve gedeelte. Iedere bon had twee tot drie “bonhoofden” die alles in de gaten diende te houden, leiding te geven, etc. Iedere bon was weer opgedeeld in gebuurten. Een gebuurte was kleiner waar men, met name, om elkaars welzijn zorgde.

 

Het gebied “Rapenburg” werd opgedeeld in twee bonnen. Heel simpel; “Noord-“en “Zuid Rapenburg”. Over de namen van de gebuurten werd wat langer nagedacht. Van de drie gebuurten in het Bon “Zuid Rapenburg” behoorde de 5e Binnenvestgracht aan “’t Land van Beloften”en “Vreuchdenrijck”.

 

Het gebied rond en op de gracht werden heel wat beroepsgroepen vertegenwoordigd. Uiteraard waren er de verschillende wevers en ververs, die werkte voor de al eerder genoemde lakenindustrie. Maar ook soldaten, turfdragers, enz.

Ook enig vertier was in die tijd aan de orde. Naast een aantal herbergen was er de nodige prostitutie. Voor 1450 was dit beroep strafbaar, maar vanaf die tijd werd het toegestaan binnen bepaalde gebieden van de stad. Een daarvan bevond zich tussen de Cellenbroedersgracht en de Witte Nonnensteeg.

Een globale indeling van wat voor beroepen zich waar bevonden, richten we ons tot de Sociografische kaart in de jaren 1581-1585 volgens de “atlas” van dhr ir. H.A.van Oerle.

 

In het archief vonden we een aantal geschillen tussen de buurtbewoners. De meeste hiervan gingen over gewonen dingen zoals rioleringen, erfgrenzen, etc. Iets wat ergere gebeurtenissen vonden we in getuigenverklaringen van  4 februari 1610 en 5 november 1620.

 

Een leuk stukje vonden we nog in het boek “Oud Leiden” van B.A. van Mourik.

over  twee hoogleraren Gomarus en Arminius. Beide waren hoogleraar Theologie (godsgeleerdheid) aan de universiteit van Leiden. Zij hadden hun eigen beeld over het geloof en hadden dan ook hun eigen aanhang. De gomaristen en de Arminianen. De twist liep zo hoog op dat zelfs het landelijk bestuur zich er mee bezig hield. Oldebarneveld koos voor de Arminiaanse kant en prins Maurits die van de Gomarus. Een behoorlijke twist met vergaande gevolgen.

Wat zal dit nu met onze gracht te maken hebben.

Het toeval was dat Arminius in de Nonnensteeg woonde en Gomarus op de vijfde Binnenvestgracht. Hierdoor grensde hun achtertuin aan elkaar en werd enkel gescheiden door een halfsteens muurtje. De twist die de twee hadden beperkten zich grotendeels in de collegezalen, echter op een gegeven moment ook in de achtertuin. Of de buurtbewoners er echt iets van begrepen hebben is onwaarschijnlijk. De geschiedenis verteld niet in wat voor taal zij spraken, maar zal, zoals gebruikelijk in die tijd, waarschijnlijk in het Latijn gevoerd zijn.

 

 

De Vijfde Binnenvestgracht.

 

In de loop der jaren veranderde de naam van de gracht diverse keren. De eerste benaming die de gracht kreeg is Die Achtergracht. Rond 1580 de Broersgracht en de Patersachtergracht. Rond 1850 de Doelen- of St. Pietersachtergracht.

Op de kaart met de toekomstplannen betreffende verkeerswegen en parkeerplaatsen van 17 februari 1962 (Leidschdagblad) wordt er zelfs alleen gesproken over de Doelengracht. Overigens volgens deze kaart, waren er plannen om een verkeersweg te maken van de gracht, met een parkeerterrein in de Zegersteeg, op de plaats waar nu Plexus zich bevind.

 

Op recentere kaarten komt pas de naam 5e Binnenvestgracht voor. Maar klopt dit wel?

 

Zoals al eerder gezegd werden er, ter verdediging van gevaar van buiten de stadsmuren, aan de binnenzijde grachten gemaakt. Dus van buiten de stad naar binnen had men eerst de vestsloot, vervolgens de vestmuur, en dan een gracht. De zogenaamde binnenvestgracht. Na de laatste uitbreiding van Leiden (centrum) in 1695 waren er in Leiden 7 binnenvestgrachten. De eerste binnenvestgracht die werd gedempt  was, in verband met de aanleg van de Hortus, in ca 1816. De overige werden de tweede helft van de 19e eeuw gedempt. De huidige benaming van de gracht zal ongetwijfeld een vergissing zijn geweest aangezien wij dus nooit een binnenvestgracht geweest zijn. Rond 1879 werden de ligging en de namen van de 1e t/m de 4e Binnenvestgracht vastgesteld. De benaming 5e Binnenvestgracht verkreeg nimmer een officiële bevestiging.

De Cellebroedersklooster

 

Rond medio 1474 bouwden de Cellebroeders hun eigen kapel met kerkhof tussen de Cellebroedersgracht en de Achtergracht. De ingang kwam aan de (naar hun vernoemde) Cellebroedersgracht. Aan de Achtergracht werd een verpleeghuis gebouwd ter verzorging van de pestlijders. Dit gebouw is als enige overgebleven. Naast de deur op nr 7 is nog het kruis en hart te zien dat is ingemetseld in de muur.

102 jaar later werd de inboedel verkocht door Jan van Hout en werd het terrein eigendom van de universiteit. In 1931 kreeg de Hortus toestemming om op het terrein de “Clusiustuin” aan te leggen, naar voorbeeld van begin van de Hortus Botanicus uit 1594. Op 18 september 1933 vond de officiële opening plaats. Het verpleeghuis werd iets later dan de opening van de Clusiustuin, bestemd als onderkomen van de hortulanus.

 

 

De Hortus.

 

Ongetwijfeld kan gezegd worden dat de Hortus van zeer grote invloed is op het ontstaan van de gracht zoals het nu is. De uitzicht, de rust, en alles erom heen is mede te danken aan de botanische tuin

 

Eind 16e eeuw werd onder leiding van Carolus Clusius een begin gemaakt aan een “kruidentuin” welke was bedoeld voor de medische studenten van de universiteit te Leiden. Het begin lag letterlijk in de achtertuin. Zoals al eerder is vermeld, is hiervan een reconstructie te vinden in de huidige Clusiustuin.

Door de enorme groei van diversiteit van inheemse planten kon een uitbreiding niet uitblijven. Deze uitbreiding werd gevonden aan de overkant van de gracht.

Rond 1736 moesten ca 83 huisjes het ontgelden tussen de Catharijnenveststeeg (het verlengde van de nu Nonnensteeg) en de Paterstaet, tot aan de Stadveststraet. Een tweeding van de gracht was een feit geworden.

Een tweede uitbreiding kwam in ca 1816 aan de orde. De toenmalige prefect Sebalt Jusinus Brugmans kreeg toestemming om het gebied aan de overzijde van de gracht (incl. waar nu de sterrenwacht staat) erbij te nemen. Nog geen twee maanden later kreeg hij het ook voor elkaar het “bolwerk” erbij te voegen, wat destijds dienst deed als begraafplaats. (het bolwerk was een stuk grond ten westen van de sterrenwacht wat in de singel stak. Hierop stonden de torens ter verdediging van de stad.)

Brugmans was nog niet klaar. Hij wilde verdere uitbreiding.

Rond 1817 schreef Brugmans een verlanglijstje aan de curatoren van de Hortus,

 

Uiteraard had hij dan ook grond nodig om deze beesten te huisvesten. Zijn verlangen lag tussen de Hortus en Cellebroedersgracht, ten zuiden van de Baeuwesteeg tot aan de Singel. Grond erbij krijgen

 

was een ding, maar een diergaarde………. Willem I gaf alleen toestemming voor het stuk grond.

Al was het voor korte duur, toch kwamen redelijk wat dieren in de Hortus kijken. Te weten schapen, bizons, twee tijgers, beren, kangaroo’s, een luipaard (van Willem I zelf) en soort leeuwkatten.

Bij tijd en wijlen gingen dieren dood of werden verkocht. In 1820 werden de laatste dieren weggedaan en kon de Hortus zicht weer geheel richten op de planten.

 

In 1858 moest de Hortus een stuk land gaan inleveren. De Sterrenwacht al die tijd op het dak van de universiteit gevestigd was, was op zoek naar een betere plek. Hoogleraar Kaiser kreeg toestemming het achterste stuk grond van de Hortus geschikt te maken voor een observatorium. De ingang kwam dan ook aan de naar hem vernoemde Kaiserstraat.

 

Het inleveren van het stuk grond was uiteraard niet naar tevredenheid van de Hortus. De ogen werden gericht op het laatste stukje grond, waar de Hortus zich , al die tijd om heen geworsteld had. Het stukje grond tussen de Hortus en de Kaiserstraat/Rapenburg.

De toenmalige prefect Suringar deed eind jaren 1876 hiervoor (tevergeefs) een voorstel:

“Alleen al een vergroting door het dempen van de aan Hortus grenzende stinkgracht, met leelijke achterbuurt, en het door de Hortus lopende stuk hiervan, zou een zeer begeerlijke zaak wezen”.

 

 

Heeft u vragen?

Neem  gerust  vrijblijvend  contact  met  ons  op:

Bezoekadres:
Zoeterwoudesweg 23N 
2321 GM Leiden
Postadres:
Schelpenkade 13 
2313 ZT Leiden
Telefoon:
071 5147337
Mobiel:
06 41884179  (Reinoud Boter)
email:
bureau@moned.nl

KvK-nummer: 57516006