Home

Bureau

Diensten

Projecten

Downloads

Offerte

Bouwhistorische verkenning Leiden | Boerderij "Ora et Labora"

object:

bouwjaar:

opdrachtgever:

architect:

werkzaamheden:

datum:

 

omschrijving:

Boerderij

ca. 1600

partikulier

architectenburo Marcel van Dijk

bouwhistorische verkenning

eind 2014

 

 

De onderzochte boerderij maakte tot de annexatie van Leiden in 1966 deel uit van Zoeterwoude. Waar de oorspronkelijke bewonerskern van dit ontginningsdorp is ontstaan is niet duidelijk. Wat wel zeker is dat de ambacht in 885 al voor komt in de goederenregister van het Bisdom Utrecht.

Het onderzochte gebouw ligt ten noordwesten van het huidige Zoeterwoude (dorp) in de nu geheten Oostvlietpolder, aan de Vliet. Een rivier dat in de Romeinse tijd al een belangrijke vaarroute was als “het Corbulogracht” richting Delft. De polder is in een zeer vroege periode ontgonnen en bewoond. Dat blijkt uit opgravingen dat de gemeente Leiden in samenwerking met de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden in 1999 heeft uitgevoerd. Rond de ijzertijd (450-0 v. Chr.) en het begin van de Romeinse tijd (0-100 n. Chr.) zijn sporen gevonden van een kleine nederzetting op deze plaats.(bron gemeente Leiden, Leids jaarboekje 2000, p226/229). Het gebied is dan ook groot archeologische en/of cultuurhistorische waarde. Het erf ligt in de zogenaamde “Limeszone” (bron Archeologische waarden- en verwachtingskaart, Gemeente Leiden, vastgesteld in 2009)

Bij het beleg van Leiden in 1573/74 zijn alle gebouwen die tot 500 roeden (1884 meter) van de stadswallen af stonden, neergehaald. De boerderij ligt niet binnen deze grens echter was op een kleine afstand de schans Lammen gebouwd. Met de komst van de geuzen is hier flink gevochten en zijn de landerijen onder water gezet. (bron: Vlist, E van der; Cronensteyn, Van broekland tot polderpark; 2004, Leiden) Dat de huidige boerderij ouder is dan deze periode is dan ook onwaarschijnlijk.

De Oostvlietpolder, een samenvoeging van de Hof- en Vlietpolder, komt op verschillende oude kaarten voor. De eerste landkaart waarop ook boerderijen zijn aangegeven komt van Floris Balthasar in 1615. De kaart geeft een betrouwbaar beeld dat de boerderij, en naast gelegen panden, in deze periode al aanwezig was.  Het vermoedde van verschillende bronnen dat het voorhuis dateert uit begin 17e eeuw en mogelijk eind 16e eeuw is dan ook reëel.

 

De exacte bouwjaar van de boerderij is niet bekend. Qua vorm of massa van de boerderij is de kaart uit 1615 niet betrouwbaar genoeg. Het aanwezige metselwerk van het voorhuis is gezien zijn formaten (10 l + v = 47 cm; formaat 19 x 9 x 4 cm) en metselstenen te dateren op 16e eeuw en eerst helft 17e eeuw. Dit zelfde geldt voor de klezoren en drieklezoren in de hoekoplossingen. (Orsel, E.D. Zijn er nog ‘veel’ middeleeuwse huizen in Leiden?; Dwars door de stad, 2007 gemeente Leiden, p. 127). Het type boerderij, een hallehuis met Hollandse stal, komt in de eerste helft van de 17e eeuw veelvuldig voor in het Rijnland. Met name rond Leiden waar men dan vooral op de boterproductie is gericht. Vanaf de 17e eeuw vind er door de specialisatie een verschuiving plaats van de woon- en gebruiksfuncties. De eerste travee achter de brandmuur wordt steeds vaker benut als werkruimte. Zomers werd stal dan gebruikt voor wonen en werken. Uiteindelijk werd een meer permanent vertrek gerealiseerd dat gescheiden werd van de stal en werkruimte. Dit vertrek is ook hier aanwezig maar mogelijk in latere fase gebouwd dan het voorhuis.

Een gebruikelijke gevelindeling van een Hallehuis met entree in het midden, twee (kruis) vensters aan de ene zijde en een hoger geplaatst (kruis) venster aan de andere zijde, was ook hier aanwezig. Op oud beeldmateriaal zijn de korfbogen en het inboetwerk nog te zien. Een van de kruisvensters is verplaatst boven de deur ter vervanging van een kleiner venster.

Het rechter deel van de voorgevel is naar binnen toe dikker, tot een hoogte van circa 30 cm boven de zoldervloer. Ook de oorspronkelijke toegangsdeur naar de opkamer, vanuit de keuken, lijkt aan de bovenzijde te zijn ingekort. Vermoedelijk is de oorspronkelijke plafondhoogte van de opkamer dan ook circa 1,8 meter geweest in plaats van de huidige 1,5 meter. De verdiepingsvloer van het voorhuis was voorzien van eiken moer- en kinderbinten. In een artikel van de heer K. Paardekooper (bron: Paardekooper, C.P.J.; Zo was het in Zoeterwoude; kwartaalblad Suetan nr 49; Vereniging Oud Zoeterwoude) wordt het plafond beschreven ter plaatse van de huidige keuken en deels woonkamer. De langwerpige ruimte van 4 x 9 meter werd gebruikt als slaapvertrek echter als keuken benoemd. Ook wordt aangegeven dat juist dit deel door verbouwingen zo geschonden is. De ruimte heeft dan ook oorspronkelijk dienst gedaan als keuken met een schouw in het midden van de brandmuur. Het deel achter de haardmuur werd waarschijnlijk gebruikt als werkruimte, al dan niet afgeschermd van de stal door een wand.

 

Op de kadestraleminuutplan van 1815 is te zien dat het kleinere gebouwtje, haaks op de rechter gevel, los staat van de boerderij. Het nog resterende deel metselwerk (10 l + v = 47,2 cm; formaat 17,5 x 9 x 4 cm) is, gezien de formaten, mogelijk te dateren op XVIIB. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de hoeveelheid aanvullende informatie ter ondersteuning van de conclusie nihil is. De functie is onbekend. Gezien de schoorsteen op de voormalige kopse gevel, geeft aan dat het mogelijk een zomerhuisje is geweest of een kleine stal met aansluitend een kleine bakhuis.

 

Rond 1780 koopt Pieter Corneliszn Persoon met zijn vrouw Maria Beijersbergen Henegouwen v/d Moor de boerderij en stukken land er omheen. Ze zijn enkele jaren ervoor getrouwd in Wassenaar en komen met twee kinderen naar de Weipoort. Zij krijgen nog 9 kinderen erbij, waarvan 8 op deze boerderij. De kinderen zullen mogelijk in de opkamer of op zolder hebben geslapen. Het is niet bekend of er in deze periode verbouwingen hebben plaats gehad, en ook huidige bouwsporen wijzen niet naar deze periode.

 

In 1815 erft Maria Beijersbergen Henegouwen v/d Moor de boerderij en blijft hier tot haar dood in 1831 boerin. De stukken land en boerderij worden vermoedelijk daarna door de buurman Cornelis van de Poel Sr. (huidige adres Vlietweg 44) gekocht. Hij bezit op dat moment al meer dan de helft van de polder. Zijn oudste zoon trekt, tot zijn dood in 1847, in de boerderij en krijgt in 1841 de beschikking over alle gelden en gronden van zijn vader. De zoon blijft vrijgezel en zijn oudere zus trekt in 1844 met haar man Cornelis Paardekooper bij hem in. De boerderij en een deel van de landerijen komen na de dood van haar broer vermoedelijk in het bezit van de familie Paardekooper. Drie van hun 11 kinderen blijven op de boerderij wonen. Het metselwerk en empirevensters in de linker zijgevel geven aan dat de muren van de huisstal rond eind 19e eeuw opnieuw zijn opgetrokken. Mogelijk in 1895, na het overlijden van hun vader Cornelis Paardekooper.

Het eerder genoemde artikel van de heer K. Paardekooper geeft aan dat het achterhuis is afgescheiden van de huisstal. In de zomer wordt een deel van dit vertrek voorzien van een houten wand en doet dienst als zomerhuis. De huidige keuken rijkte tot aan de linker gevel en is dan het woon/slaapvertrek met bedsteden. Alleen een klein raam in de noodgevel gaf een klein beetje licht in de ruimte. De linker gevel had geen gevelopeningen. De entreedeuren in zowel de voor als linker gevel zijn dus dan al dichtgezet. De ruimten, met uitzondering van de stal, worden allemaal beschreven met toegangen en al. Wat niet omschreven wordt is een trap of toegang naar zolder, waaruit aangenomen mag worden dat hier dan ook geen noemenswaardige verblijfsruimten aanwezig waren.

 

Het metselwerk waarmee het karnhuis aansluit op de boerderij is in 1907 aangebracht. De datum is nog enigszins af te leiden uit de gevelsteen, waar volgens buren ook de naam “Paardekooper” op zou moeten staan. Een foto uit 1941 van de voorgevel geeft aan dat de kruiskozijnen zijn vervangen door schuifvensters met roedeverdeling 2 x (1+2). Hierboven zijn de korfbogen nog zichtbaar. In de rechterhelft is het huidige venster nog niet aanwezig echter, door de bladeren heen, is de linker stijl van het kelderraampje wel te zien. Ter plaatse van de toenmalige keuken zijn twee schuifvensters aangebracht, naast de twee empire vensters.

De balkenlaag van de verdiepingsvloer boven de stal wordt veranderd. De hart op hart afstand wordt kleiner om de draagkracht van de zoldervloer te vergroten. Ook de kap is in deze periode waarschijnlijk aangepast, gezien de soort kap en gebruikte grenen balken. De huidige berging heeft houten 9-ruits vensters. De deur op de hoek met de kopse gevel is dan nog aanwezig.

 

De boerderij heeft voornamelijk in deze periode zijn huidige situatie bereikt. Met name het voorhuis is grotendeels aangepast. Niet alleen de nieuwe gevelopeningen wijzen hierop. Ook de gebruikte materialen en afwerkingen zijn veelal in uit deze periode te dateren.  De kelder met opkamer wordt verkleint en maakt plaats voor een kamer. Aan de voorgevel komt een klein keukentje met keukendeur in de linker gevel. Het resterende deel wordt samen met een deel van de keuken een grote woonkamer met extra vensters in de zijgevel. De oude schoorsteen dat vanaf 1941 in verval raakt, heeft plaats gemaakt voor een nieuwe, halverwege het voorhuis. Ook de dakvensters geven aan dat op zolder meer gebruik wordt gemaakt van verschillende ruimten.

De vensters van de kleine berging hebben de huidige betonnen vensters gekregen.

 

Bij een storm in de jaren ’80 is de kleine stal omgewaaid. Het pand is opnieuw opgebouwd door de aannemer Paardekooper. Het metselwerk is echter in wildverband. Verder is, met uitzondering van de deur op de hoek, de gevelopeningen behouden gebleven. Ook zijn enkele deuren inmiddels vervangen.

 

Heeft u vragen?

Neem  gerust  vrijblijvend  contact  met  ons  op:

Bezoekadres:
Zoeterwoudesweg 23N 
2321 GM Leiden
Postadres:
Schelpenkade 13 
2313 ZT Leiden
Telefoon:
071 5147337
Mobiel:
06 41884179  (Reinoud Boter)
email:
bureau@moned.nl

KvK-nummer: 57516006