Home

Bureau

Diensten

Projecten

Downloads

Offerte

cultuurhistorisch onderzoek Leiden | Plantsoen

object:

bouwjaar:

opdrachtgever:

architect:

werkzaamheden:

datum:

 

omschrijving:

Plantsoen

1881

eigen beheer

 

cultuurhistorisch onderzoek

2013-2014

 

 

Over het ontstaan van het park “het Plantsoen” zijn al reeds eerder publicaties geweest. (Jong, Erik de, Steenbergen, Clemens, Vlist Ed van der, Eene aangename publieke wandeling: een schets van historische stads en singelparken; Walburg Pers, Zuthpen; 1997). Hoewel dit stuk (gezien de zeer beperkte oplage is hier geen sprake van publicatie) ook hier naar verwijst ligt de nadruk van het onderzoek vooral op de ontstaansgeschiedenis van de bebouwing, en in het bijzonder de woonhuizen, in en aan het Plantsoen. De gemeente heeft een grote rol gespeeld bij het dempen van de binnenvestgracht en het uitgeven van bouwgrond. Aangezien dit circa 50 jaar voor de stadhuisbrand heeft afgespeeld zijn veel van juist deze archiefstukken verloren gegaan. Echter gelukkig lang niet alles. Met behulp van restanten uit verschillende archieven (zoals notariële stukken), oude kranten en literaire bronnen is een goede reconstructie te maken van de ontstaansgeschiedenis van de woonhuizen. Om een zo compleet mogelijk beeld te geven begint de ontstaansgeschiedenis bij de uitbreiding van de stad in 1659 en eindigt bij de bouw van de laatste woonhuizen.

 

Leiden is door de eeuwen heen diverse keren uitgebreid. Na het beleg door de Spanjaarden ontstond er een tijd van sterke economische groei. Vooral door de aanhoudende oorlog in Vlaanderen met de Spanjaarden kwam de lakenindustrie ten goede. Met name de komst van vele immigranten zorgde hier voor een bevolkingsgroei van ca 10.000 rond 1573 tot 70.000 rond 1670. (Lammers-Keijsers, Y.M.J. (red); Ongekend Leiden, Het verleden in kaart; Unit Monumenten & archeologie, gemeente Leiden; 2009). Deze toeloop zorgde voor twee grote stadsuitbreidingen. In 1611 aan de noordzijde van Leiden en in 1659 aan de oostzijde. Bij deze laatste wordt ook de Zoeterwoudsesingel gegraven, waaraan het huidige Plantsoen ligt.

 

Verdedigingswerken werden aangepast aan de ontwikkeling van de wapens. In plaats van stadsmuren met bolwerken zoals in vorige eeuwen nog gebruikelijk was, werden nu aarde vestingwallen aangebracht met bastions. De vesten (het water wat nu singel worden genoemd) had aan beide zijde smallere grachtjes, de zogenaamde vestsloot en binnenvestgracht.

Na de Frans/Duitse inval in 1672 waarbij ondermeer Overijssel, Gelderland en Utrecht in een razend tempo onder de voet werden gelopen, en de Engelse vloot met een landing aan de kust dreigde, begrepen de Hollandse steden dat er iets gedaan moesten worden. Polders werden onder water gezet, de eerste Hollandse waterlinie, en de Nederlandse vloot behaalde successen op de Engelse.(Panhuysen, L; Rampjaar 1672; 2012) De steden, waaronder Leiden, realiseerden zich dat ze iets aan het achterstallig onderhoud van hun vestingswerken moesten doen. In Leiden werden drie studies gemaakt rond 1674, nadat buitenlandse troepen weer verdreven waren uit ”Nederland”, Alle drie de studies zijn echter nooit ten uitvoer gekomen. (Oerle, Dr. Ir. H.A. van, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, de geschiedenis van de stedebouwkundige ontwikkeling binnen het Leidse rechtsgebied tot aan het einde van de gouden eeuw; p. 397-400; E. J. Brill, Leiden 1975)  Vermoedelijk uit kostenoverweging. Wel werden de Zoeterwoudse- en Zijlsingel verbreed tussen 1675-1677.

 

De verdediging moest gehandhaaft blijven in geval van oorlog. Echter van onderhoud voor deze doeleinde is nauwelijks meer sprake. Regelmatig werden hier bomen gerooid voor brandhout. In 1830 gingen in het kader van werkeloosheid zelfs 500 bomen neer en wordt de vestwal tussen de Hoogewoerdsepoort en Koepoort afgegraven. (Driessen, ir. G. L.; Het leven en de geschriften van den Stadsarchitect SALOMON VAN DER PAAUW,  Leidsch Jaarboekje 1931; blz 13) In juli 1840 kregen de burgemeester en wethouders toestemming van de regering voor het aanleggen van een wandelpark op de Leidse vestingwerken. (Leydse Courant; 17.07.1840, p1.) Verschillende steden zoals Schiedam (1826) en Utrecht (1828) hadden al gelijke plannen laten uitvoeren naar ontwerp van de Haarlemse architect J.D. Zocher jr. (1791-1870). Het stadsbestuur vond de bedragen van Zocher echter te hoog en lied stadsbouwmeester Salomon van der Paauw het ontwerp maken in de populaire Engelse landschapsstijl. Zocher is vermoedelijk nog wel betrokken geweest bij het kiezen van bomen. (gemeentelijk monumentenregister, beschrijving bij verschillende gemeentelijke monumenten aan het plantsoen) Het plantsoen werd ‘s avonds afgesloten om onder toezicht van twee veldwachters in de ochtend weer open te gaan. (Leydse Courant, 27.09.1861, p1)

Verschillende bouwwerken verrezen in het Plantsoen, echter altijd gebouwd in hout. zodat bij dreiging van een nieuwe oorlog alles weer onmiddellijk verwijderd kon worden. Het belangrijkste en grootse gebouw is het sociëteitsgebouw voor de vereniging Musis Sacrum van stadsarchitect J.W. Schaap. In 1950 zou hij al een plan in gediend hebben om langs de rand van het Plantsoen een rij huizen te bouwen, om zo het zicht op de huizen aan de binnenvestgracht te ontnemen.(Ottenheym, dr. K.A, e.a. Kiezen en bouwen, architectuur in Leiden 1850-1940, Gemeente Leiden, 1990, Blz 12/17. Helaas zijn in deze publicaties geen bronvermeldingen opgenomen. Hoewel het mogelijk is dat Schaap deze plannen heeft ingediend, is hier gezien de tijdstip twijfels over!).

 

Muziek in het park:

In de zomer 1857 gaat de Corps Muzikanten der Schutterij muziekvoorstellingen geven op het Plantsoen. Vermoedelijk wordt het gehouden in de al reeds geplaatste muziektent op “de berg”. Voor f 0,25 worden kaartjes verkocht dat ten goede komt aan de noodleidende vereniging Musis Sacrum (opgericht in 1828) (http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/22816)

De voorstellingen worden gehouden bij mooi weer. Bij slecht weer gaat om 3 uur ’s middags de vlaggen uit aan de stadhuistoren en volgen in de kranten de nieuwe data.

Na herstart van de vereniging Musis Sacrum werd in 1871 een sociëteitsgebouw met muziektent ontworpen door Jan Willem Schaap (1813-1887) Deze is stadsarchitect van Leiden van 1863 tot 1884 en leerling van Salomon v/d Paauw. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Willem_Schaap)

De vereniging redt ook de tweede doorstart niet. In 1928 zeggen burgemeester en wethouders echter de erfpacht op en wordt het terrein van de Musis Sacrum bij het Plantsoen getrokken en valt definitief het doek voor deze vereniging. (Nieuwe Leidsche Courant, 07.05.1928, p1)

 

Op zoek naar bouwgrond:

Tot “de wet tot regeling en voltooiing van het vestingstelsel” in 1874 was het vrijwel onmogelijk voor steden op of buiten de vestingwerken te bouwen. Veel steden oogde vooral op Nederlanders die rijkdom hadden vergaard in Nederlands-indië en nu om diverse redenen terug kwamen.

In Leiden komt Jan van Lith jr. (1813-1888) met nieuwe plannen.( Leidsch Dagblad; 08-07-1872) Van Lith was eigenaar van vele woningen en verdiende de kost als timmerman, aannemer, bouwkundig tekenaar, architect, verzekeringsagent (brandverzekeringen), makelaar en project ontwikkelaar. Ook bekleed hij diverse funktie in verschillende commisies waaronder de plaatselijke gezondheidscommissie en vereniging ter bevordering der (Leidsche) Fabriek- en Handelnijverheid.

Rond 1872 komt Jan van Lith jr. met diverse plannen waaronder een plan voor huizen aan het Plantsoen. Door demping van de Binnenvestgracht moet bouwgrond vrij komen voor 3 huizenblokken voorzien van 46 boven- en beneden woningen voor “den knappen werkmans- of geringen burgerstand”. De entree komt aan de binnenvestgracht zijde. De overgrote meerderheid van de vrijgekomen grond wordt verdeeld in vijf blokken voor tezamen elf villa’s, bestemd voor “den fatsoenlijken familiën” en met entree aan het Plantsoen. Tussen de villa’s zal er volop tuin aanwezig zijn. (Leidsch Dagblad; 08.07.1872)

De commissies van fabricage en financiën staan achter de plannen. Burgemeester en wethouders blijken er echter geen heil en wijzen het dempingsbesluit op 24 oktober van dat jaar af. Op 11 november wordt ook het plan ingetrokken. (Leidsch Dagblad; 13.12.1872)

Een jaar later, op 17 oktober, probeert de “vereeniging van Bouwkunst en Vriendschap te Leiden” het te vergeefs nog een keer en is het 11 maart 1874 de beurt aan de commissie van Fabrikage. Dit keer wordt ook de sloop van de Hogewoerdsepoort in het plan opgenomen, het plempen van een deel van de singel en het verleggen van de brug. De kosten worden geraamd op F 14.500,- en directe opbrengsten van het sloopafval van de poort ( materialen, klokken en uurwerk met wijzerplaten) op F3800,-.

B&W is positief over de plannen. Niet alleen wordt het stadsaanzicht mooier, ook willen ze kijken naar de mogelijkheden om meer bouwgrond aan de plantsoenzijde toe te voegen. De commissie van adviseurs voor monumenten van kunst en geschiedenis tekent bezwaar aan op het afbreken van de poort. Uiteindelijk vreest men dat er toch te weinig gegadigde zullen zijn om genoeg bouwgrond te verkopen. Echter de Hogewoerdsepoort red het einde van 1874 niet meer.

 

Eerste woningen aan het Plantsoen

Op 5 april 1880 stelt de Commissie van Fabrikage opnieuw een plan voor om de binnenvestgracht te dempen voor het verkrijgen van bouwgrond. Nu worden de kosten geraamd op F23.800,- doordat ook de demping van de Geerengracht in de plannen worden opgenomen. In dit plan gaat het om 47 percelen die allemaal bebouwd moesten worden met luxe herenhuizen voor de rijkere bewoners/nieuwkomers. Gezamenlijk zou het 9400 m2 gaan. Bij een minimum prijs van f2,50 per m2 moeten de kosten overschreden kunnen worden.

 

In de gemeenteraad van 30 april 1880 wordt voor de vierde keer gediscusierd over de vele voor en nadelen van het dempen van de binnenvestgracht en het uitgeven ban bouwgrond. Men realiseert zich dat het uitzicht van de circa 80 woningen aan de gracht zal worden belemmerd en dat deze bewoners straks in een nauwe straat wonen. De inmiddels 67 jarige Jan van Lith jr. (inmiddels ook gemeenteraadslid) betuigt tijdens deze vergadering ingenomen te zijn met het dempen van de binnenvestgracht wat zijns inziens de gezondheidstoestand verbeterd. Andere raadsleden spreken van het ontnemen van licht, lucht en frisse lucht. De meerderheid van de raad is het met de burgermeester eens dat de nieuwe woningen geen nadelen voor de huidige bewoners geeft. Het plan wordt dan ook met 16 tegen 4 aangenomen.(Leydse Courant 1 mei 1880) Ook Gedeputeerde Staten geven kiezen de zijde van het stadsbestuur, ondanks protesten van omwonenden.

 

Het Plantsoen, met name de “Zoogenaamde berg” worden afgevlakt om uitzicht voor de nieuwe bewoners te verbeteren. Alles zou meer als tuin worden aangelegd met een ruimere rijlaan langs de huizen voor rijtuigen en voetgangers.

 

Op vrijdag 28 januari 1881 worden om 11 uur de 47 bouwkavels geveild. Van te voren kan men zowel de plannen als de bouwkavels bekijken. Een ontwerptekening, dat in het archief bewaard is gebleven, geeft de rooilijnen en kavels weer. Deze worden eveneens stuk voor stuk omschreven in de notariële stukken, behorende bij de veiling, samen het de kadastrale nummers en afmetingen.

Kopers waren verplicht de bouwkavel te bebouwen met herenhuizen. Binnen 18 maanden na aankoop moest deze “onder den kap zijn” en binnen 2 jaar volledig voltooid. Indien dit niet het geval was, werd een boete opgelegd van f. 10,- per week per kavel.

Kopers van twee of drie aaneengesloten kavels mochten ook 1 herenhuis bouwen en de rest als tuin inrichten, naar goedkeuring van burgermeester en wethouders. Dit lijkt alleen bij Plantsoen 1, 25 en 72 het geval te zijn geweest, waarbij Plantsoen 1 en 25 dit in later stadium alsnog hebben bebouwd.

Verder waren kopers verplicht de woonhuizen aan te sluiten op het Liernurstelsel. Dit rioolstelsel, dat in meerdere steden rond deze periode in gebruik was, is een gesloten circuit dat ‘s nachts leeg gepompt werd. De fecaliën werd als mest verkocht aan boeren, of voor eigen plantsoenen gebruikt. Verder diende alle woningen haaks op de walkant van de Binnenvestgracht gebouwd te worden en moesten open ruimten afgescheiden worden door ijzeren hekwerken. Alleen aan de achterzijde mocht men gebruik maken van metselwerk of schuttingen tussen de percelen onderling. Voorwaarden over stedebouwkundige aspecten zoals goot- en nokhoogten of type kap werd niet genoemd.

 

Van de 47 kavels werden er op die ochtend uiteindelijk 20 verkocht. (Kavels 1 t/m 5 en 20 t/m 34) Het waren hoofdzakelijk ontwikkelaars die twee of drie percelen naast elkaar kochten. In maart werden al de eerste woningen aanbesteed. Het betroffen de woningen 41 t/m 53 en 67 t/m 71 naar ontwerp van architect W.C. Mulder. De andere verkochte kavels volgden redelijk snel en halverwege april 1882 werd de eerste woningen te huur aangeboden. (Leidsch dagblad 22-04-1882. Huis te huur op Plantsoen; te bevragen bij Breestraat Hotel “Le Soleil d’Or” Kamer 3)

Na de eerste veiling volgde een tweede op 21 februari 1883. Dit maal werden maar drie percelen verkocht. tussen de eerste en tweede veiling zijn vijf kavels verkocht, maar de werden uiteindelijk in 1885 verkocht. De laatste twee (nummer 6 en 7) gingen in 1887 van de hand aan Reinier Koekoek die inmiddels de meeste huizen aan het Plantsoen bezat. Bij de laatste twee was voor het terrein echter aan Musis Sacrum toestemming gegeven om een duinwaterleiding aan te leggen van het sociëteit naar de hoofdleiding aan de Binnenvestgracht. Koekoek mocht de grond wel kopen maar diende een stook van twee meter onbebouwd te laten. (Leydsch Courant 18-02-1887) Ook zou de gemeente het recht hebben hier te allen tijde werkzaamheden te verrichten. De onbebouwde strook is vandaag nog aanwezig tussen de woonhuizen 9b en 11.

 

Architectuur

De 19e eeuw wordt door veel architectuurhistorici gezien als een overgang van met het classicistisme naar de moderne architectuur. Men was op zoek naar een architectuurstijl die pasten bij de veranderende samenleving. In de meeste gevallen werd teruggegrepen naar eerdere stijlen, en spreekt met over de zogenaamde neostijlen. De discussies in de bouwkunst gingen dan ook vooral welke architectuurstijl uit het verleden en beste aansloot bij de Nederlandse identiteit. Over het algemeen geven de meeste mensen de voorkeur aan de renaissance. Een periode waarin Holland vooral een groot en rijk wereldnatie was. Deze neorenaissance komt ook veelvuldig voor in Leiden vanaf de jaren ’80 en is ook aan het Plantsoen veelvuldig toegepast. Het verschil in interpretatie van de stijl in combinatie van de vele nieuwe mogelijkheden door de opkomst van de industrie geven de panden toch een individuele karakter.

Tussen de vele neostijlen door, laveert het eclecticisme. Een stijl dat zich vooral kenmerkt door toepassing van verschillende stijlen samen te voegen. Het eclectisch betekend: het beste uitkiezen/selecteren.

De vanuit Frankrijk overgenomen stijl is in beginstadium nog rustig waarbij zeer zorgvuldig wordt omgegaan met afwijkingen van de strenge regels van het classicisme. Vooral door de industrialisatie worden klassieke elementen in grote getallen, en dus goedkoper, geleverd. Hierdoor komen deze veelal 18e eeuwse vormen van de Lodewijkstijlen ook voor de middenklasse binnen handbereik. De populariteit van het eclecticisme groeit dan ook sterk bij de gewone bevolking. Zowel aannemers als projectontwikkelaars geven dan ook vaak de voorkeur aan deze stijl als het iets luxer moet zijn. Vooral in de tweede helft van de 19e eeuw zie je dan ook steeds vaker dat het gaat om de beeldvorming dan om de correcte manier van toepassen. Een ander mooi voorbeeld komt van de architect W.C. Mulder. Deze timmerman/architect begon in 1875 in Leiden. De gebouwen die hij tot einde van de eeuw ontwierp (zowel woonhuizen maar vooral ook bedrijfspanden) waren vrijwel allemaal in de neorenaissance stijl. Hoewel deze stijl ook nog terug te zien is in de eerste woningen in 1881, zijn hier ook duidelijk de invloeden van de franse Lodewijkstijlen aanwezig. Een mooi voorbeeld van eclecticisme waar ongetwijfeld dor projectontwikkelaars hun invloed hebben laten gelden. In 1885 ontwierp hij ook (Cultureel erfgoed; Monumentenregister Rijksmonument; 515092) nummer 9, dit keer in een prachtig zuiver neorenaissancestijl

Ook de stadsarchitect J.W. Schaap heeft zich bezig gehouden met het Plantsoen. Naast het Musis Sacrum in het park zelf wordt ook “de school voor minvermogenden” aan zijn oeuvre toegekend. (Dröge, J e.a.; Architectuur en monumentengids Leiden; Primavera pers, Leiden 1999; blz. 77)

De enige woning op zijn naam is nummer 25 dat in 1885 gebouw is. (Monumentenregister, gemeentelijk monument nummer 241; gemeente Leiden) Zelf gaat hij in juni 1882 aan het Plantsoen 71 wonen.(Leidsch Dagblad 16-06-1882).

 

De bouw van de herenhuizen aan het plantsoen was eind 19e eeuw voor veel Leidenaars een beademing voor het stadsaanzicht. Het Plantsoen werd samen met deze woningen gezien als een prachtig ontvangst voor bezoekers aan de stad die Leiden vanuit het zuiden of oosten benaderde. Na bijna 135 jaar is weliswaar de entree van de stad buiten de singels sterk veranderd, maar is de entree naar de binnenstad onveranderd. De imposante woningen, door grootte en architectuur, samen met zijn bewoners, slingerende paden, plantsoen en brede singel maakt nog steeds een mooie indruk, niet enkel op de bezoekers.

 

 

Heeft u vragen?

Neem  gerust  vrijblijvend  contact  met  ons  op:

Bezoekadres:
Zoeterwoudesweg 23N 
2321 GM Leiden
Postadres:
Schelpenkade 13 
2313 ZT Leiden
Telefoon:
071 5147337
Mobiel:
06 41884179  (Reinoud Boter)
email:
bureau@moned.nl

KvK-nummer: 57516006